Christine van Reeuwijk (1969), ‘Wie
weet morgen’, uitgave Narratio, Gorinchem, isbn 90 5263 201
4, E 11,50
‘Wie weet morgen’, het boek dat columniste Christine
van Reeuwijk schreef over ‘leven
met een Minimum aan Energie’, trok al veel belangstelling.
In een aantal kerken ligt het al op de boekentafel. Daan van der
Waals over dit bijzondere boek, dat een brug probeert te slaan tussen
‘zieken’ en ‘gezonden’.
Omgaan met een chronische ziekte
Je zult maar jong zijn en levenslustig, opgaan in het studentenleven,
sport beoefenen… en dan merken dat de krachten je begeven.
Bijna van de ene dag op de andere tot geen fysieke inspanning meer
in staat. Bij het minste of geringste zwaar vermoeid. Je lichamelijke
huishouding laat je in de steek. Wat het precies is, de deskundigen
weten het niet, maar wat je wel weet is dat je ‘vrienden moet
worden met je bed’. Studie afgebroken, weer bij je ouders
thuis, uiteindelijk wel op jezelf, maar bijna steeds in die paar
vierkante meter van je kamer van waar uit je de buitenwereld aan
je ziet passeren.
Christine van Reeuwijk (34 en al twaalf jaar ‘vrienden met
haar bed’) maakte het allemaal mee, en ze schreef er ook een
boek over: ‘Wie weet morgen, over leven met een Minimum aan
Energie’. In pakkende, knap geschreven en bijzonder onderhoudende
korte hoofdstukken beschrijft ze haar ziektegeschiedenis en haar
ervaringen als patiënte. Hoe ME in iemands leven kan toeslaan,
daarover gaat dit boek. Maar daarover niet alleen. Want in ‘Wie
weet morgen’ ontmoeten we niet alleen Christine van Reeuwijk,
maar ook allerlei mensen om haar heen: familieleden, vrienden, dorpsgenoten,
mensen met wie zij optrekt.
Leuke en minder leuke reacties worden verteld. Verhalen van ontroerende
trouw en aandacht en lotsverbondenheid en niet te vergeten van humor
‘ondanks alles’, want de positieve levensinstelling
en de wil om er het beste van te maken stralen van alle bladzijden
af. Maar er zijn ook beschamende voorvallen. Zoals dat van die medicus
die na een uitvoerig lichamelijk onderzoek concludeerde: ‘Kanker
en tering heb je niet, dus is het psychisch. Je moet voor een flink
aantal behandelingen naar de psychiater.’(!) De verhalen over
overheidsinstanties zijn ook niet bepaald enthousiasmerend. En dorpsgenoten
laten zich niet altijd van hun gunstigste kant zien. Begrip voor
wat het leven met ME betekent en respect voor dit kwetsbare bestaan,
het is niet vanzelfsprekend.
Dat alles komt op een heel levendige wijze naar ons toe, en daarmee
nodigt ‘Wie weet morgen’ ook uit tot zelfonderzoek.
In theorie weten we meestal wel dat een zieke niet samenvalt met
zijn of haar ziekte, dat achter een handicap niet een ‘gehandicapte’
maar een mens schuil gaat, dat we meer zijn dan de omstandigheden
waaronder wij leven. En toch is het heel moeilijk om dat in praktijk
te brengen. Ziekte plaatst een mens in een uitzonderingspositie.
Voordat je het weet word je een ‘geval’. Je krijgt een
etiket mee. Mensen staan al gauw met een oordeel klaar. Al te gauw
denkt men wel te weten hoe het met jou is gesteld of hoe jij je
zou moeten voelen. En het vervelende is dat het vaak nog ‘goedbedoeld’
is ook.
Ik moet denken aan het verhaal over Jezus en de blindgeborene. ‘Heeft
hij gezondigd of zijn ouders?’ vragen de omstanders. Alweer
dat vooroordeel! Ziekte roept angst, verlegenheid, onrust op. We
weten er niet goed weg mee; we weten ook geen weg met onze eigen
onmacht. Krampachtig zoeken we een verklaring.
‘Dus is het psychisch…’ Zo’n uitspraak zegt
meer over de spreker dan over degene die op deze wijze, en nogal
kwetsend, wordt toegesproken.
Daan van der Waals
|